Voor wie na het eten van de appelmoes zegt: ‘Het was goed maar er ontbrak een kleinigheid’. Overbodige beschouwingen dus, al was het maar om ze uit mijn hoofd te zetten. Enige geneugte toegewenst!

Anton Kamps

Echternach in Oosterhout

Op Tweede Pinksterdag vertrok vanuit Oosterhout een volle bus voor een vijfdaagse reis naar Luxemburg. KBO – Oosterhout organiseerde de reis. De inzittenden arriveerden precies op tijd om de volgende dag de beroemde processie van Echternach te kunnen bewonderen. Drie stappen vooruit, twee achteruit, spreekwoordelijk geworden voor gebrek aan voortgang. Weer terug in Oosterhout kon men warempel drie weken later al in de raadszaal de opgedane kennis toetsen aan de merkwaardige bewegingen van de Oosterhoutse gemeenteraad. Daar werd immers een devotie-loze persiflage van de processie van Echternach opgevoerd.

Het ging over de binnenstad en over detailhandel. Vijf voor twaalf zou het zijn! Er moest en zou iets gebeuren, iets ingrijpends, om de neerwaartse trend te keren. Deskundigen werden ingehuurd, rapporten opgesteld, aanbevelingen gedaan. Van alle kanten werd benadrukt dat alle betrokken partijen de handen ineen zouden moet slaan. Een van die partijen is natuurlijk de gemeente. Die zou stevig en voortvarend beleid moeten formuleren en daar met inzet werk van dienen te maken.

Alle partijen in de gemeenteraad konden dus na de gedegen voorbereidingen hun zegje doen over de detailhandelsvisie en de binnenstadsvisie en er bleek een grote meerderheid bereid achter het college te gaan staan. De VVD-woordvoerder vatte het zo samen: de gemeentelijke opgave is vooral een krachtig samenspel te bewerkstelligen met de betrokken partners. Je zou kunnen zeggen: drie stappen vooruit! De processie is begonnen.

Maar toen stond er opeens een andere woordvoerder van diezelfde VVD op, die doodleuk weer vier stappen terug hinkelde. Dat ging ongeveer zo:

Dat gedoe met de binnenstad moet de zaak niet op slot zetten. Het zal best zo zijn dat er in het centrum achtduizend vierkante meter af moeten, maar dat mag toch niet verhinderen dat er op een paar honderd meter van dat centrum weer een paar duizend vierkante meter winkeloppervlakte wordt toegevoegd. Dus kom maar op met die Agrimarkt! Dat met de komst daarvan in het centrum nog een paar winkels zullen omvallen, dat is wel jammer maar niet zo erg. Laat de markt maar zijn werk doen.’

Als dat zo is, als de markt zijn werk mag doen, dan heb je toch potdomme helemaal geen detailhandel- of binnenstadsvisie nodig. Je moet er bij geweest zijn om het te geloven. Maar het is echt gebeurd en gezegd. Onnozel genoeg werd de VVD in een vage gelegenheidscoalitie aan een nipte meerderheid geholpen door partijen die naïef blij opveren als zij de woordjes ‘onbespoten’ of ‘streekproducten’ horen.

Onze gemeenteraad dreigt te verworden tot folkloristische attractie. Drie stappen vooruit, en dan weer even zo vrolijk terug. Processie die dood loopt. Komt dat zien!

Anton Kamps

Bruisende binnenstad

Dat wij over de bruisende binnenstad spreken, vindt zijn oorzaak natuurlijk in de afwezigheid ervan. Die afwezigheid brengt een hoop discussie, maar vooral ook pijn in de portemonnee van winkeliers en verhuurders van winkelpanden. Natuurlijk roepen zíj het hardst en lijkt hún vraag om een oplossing het meest dringend. ‘Je moet dáár beginnen waar de pijn is’, zo vatte een ondernemer het samen. Maar is dat wel zo?

In de medische wereld is pijn een symptoom. Meer dan het symptoom dien je vooral de veroorzaker van de pijn, de ziekte, aan te pakken. Het gevaar is groot dat je omwille van de pijn een ‘paracetamolleke’ voorschrijft, en denkt daarmee het probleem te hebben verholpen.

De bezorgde ondernemers richten hun pijlen vooral op het gemeentebestuur en de gemeenteraad. Ook dat is begrijpelijk. In de vorige eeuw hebben gemeentebesturen zich, gedwongen door de omstandigheden, ontwikkeld tot regisseurs van stads- en binnenstadsontwikkeling. Met andere woorden, zij hebben -deels- zelf gezorgd voor de moeilijkheden, die nu om een oplossing vragen. Zij zullen dus ook zelf voor de oplossing dienen te zorgen. Maar dan zul je als gemeentebestuur wel een helder beeld moeten hebben van de ‘ziekte’, een integrale visie moeten ontwikkelen en verder moeten kijken dan de pijn bij een onderdeel.

De goede aanpak is dus allereerst het stellen van de juiste diagnose. Of – juist is te veel gevraagd- de diagnose waarover een meerderheid het eens is. Het compacter maken van het winkelgebied zal, hoe nodig ook, wellicht slechts een paracetamolleke blijken te zijn. Als wij het daarbij laten, doen we te weinig.

Een integrale visie behelst niet alleen economische aspecten. Daar hoort ook een stedenbouwkundig plan bij, met een bepaling van een organische manier van groei of afname van een winkelgebied, met een verzwakking van de rol van het groot-kapitaal wellicht, dat nu in staat is mogelijkheden tot krimp te gijzelen, met een daarbij passende vormgeving. Daar hoort een visie bij op een sterk veranderende functie van het stadscentrum, van koopcentrum tot ontmoetingsgebied, van saai naar levendig en inspirerend, een mengsel van commercie, van cultuur en recreatie maar ook van woongenot, serviceverlening en belangenbehartiging.

Bij zo’n visie past een flexibele overheid die snel en moeiteloos besluiten kan nemen over bijvoorbeeld verandering van bestemmingsplannen en snel heen en weer kan schakelen tussen woon-winkel-, of kantoorbestemming. Om dat te bewerkstelligen hebben we trouwens wel meer nodig dan plaatselijke politiek en zal er ook in de sfeer van wetgeving het een en ander dienen te veranderen.

Eerst maar eens proberen of wij het over de diagnose eens kunnen worden. Dat is al het halve werk!

Herindeling

Wat is een schaal die past bij de mens? Van alle cirkels die je om je heen kunt trekken, is welke de meest betekenisvolle? Wanneer lukt het nog je te verbinden met het bestuur dat je bij elkaar stemt, en wanneer raken we elkaar kwijt?

Een argument bij de sociale transities was dat gemeenten beter in staat geacht werden om passende zorg te bieden aan de eigen inwoners dan het Rijk. De kleinere schaal zou niet alleen een besparing opleveren, maar ook een verbetering van de zorg. Opmerkelijk genoeg dwingt de gegroeide verantwoordelijkheid van gemeenten ook een beweging in tegengestelde richting af, dus niet van groot naar klein maar andersom. Bij de organisatie van de zorg komt soms meer kijken dan een gemeente aankan. ‘Daar heb je het spook van de herindeling weer’, zuchtte een collega-raadslid. Je hoort nogal eens stellen dat een omvang van 100.000 inwoners de goede schaal oplevert om efficiënt en verantwoord zaken te doen, niet alleen in de wereld van de gezondheidszorg maar ook op andere terreinen. Maar doet dat geen afbreuk aan de wederzijdse betrokkenheid van burger en lokale overheid? En wat blijft er over van het voordeel van een nabije overheid?

Over beweging gesproken. Een paar jaar geleden baarde de Amerikaan Benjamin Barber, hoogleraar politicologie, opzien door zijn pleidooi om de democratie te redden door burgemeesters de wereld te laten regeren. Geen Verenigde Naties meer, maar de Verenigde Steden van de wereld, geregeerd door een parlement van burgemeesters. Grote steden kiezen immers al regelmatig een eigen weg, los van provincie of rijk. Een stad als Rotterdam heeft in ons land economisch gezien meer macht dan de provincie Drenthe. Moeten wij wereldwijd opschalen naar grootstedelijke omvang? Dat is pas herindeling! De observatie bij recente verkiezingen in Amerika, Frankrijk, en Nederland van een tweedeling tussen mensen van steden en die van landelijke omgevingen, een breuklijn die ook ongeveer het meer vooruitstrevende gedeelte van een natie scheidt van het meer behoudende, is hierbij opmerkelijk.

De romantische woorden op het graf van Wibaut, zijn mij lief: ‘Er is maar één land: de aarde. Er is maar één volk: de mensheid. Er is maar één geloof: de liefde.’ Zij hanteren de grootst mogelijke schaal –  tenminste totdat wij ‘menselijk’ leven op een andere planeet ontdekken –, en roepen op tot een grenzeloze solidariteit. Bovendien sluiten zij naadloos aan bij het plakkerige goedje van de culturele gelijkschakeling dat je wereldwijd aantreft, onder invloed van internet en commercie.

Maar misschien lopen de woorden veel te snel voorbij aan de kleine mensen die we zijn en die we blijven, hoe ruim we ook durven denken. Ik kan nog zo de graftekst van Wibaut omarmen, tegelijkertijd voel ik mij thuis in de kleine stad waar ik woon, waar ik vrienden maak, de taal versta, waar velen elkaar kennen, al is het maar van gezicht, waar we elkaar groeten ook al ken je elkaar niet. Waar ik de wethouder in het zwembad aan zijn kop kan zeuren dat ie het weer verkeerd heeft gedaan. Het zijn twee uitersten die heel goed samen kunnen gaan, wereldburger zijn én dorpsbewoner. Iemand wees mij op Frankrijk, waar bijna ieder gat nog zijn eigen ‘Mairie’ heeft en zijn eigen burgemeester, die dikwijls ook de pomp exploiteert of de bakkerswinkel. Van alles en nog wat is er geregionaliseerd, maar de kleine eigenheid staat fier overeind met sjerp en gouden kwastjes! Herindelen zal best nodig zijn, zo af en toe. Als het maar geen opdelen wordt. Dan hou je niks over.

Het DNA van een illusie

In de verkiezingstijd heb ik de pen maar laten rusten. Voordat je er erg in hebt, loop je de landelijke campagne voor de voeten met een afwijkend standpunt. De stilte was trouwens lastig vol te houden. De partij-woordvoerder sprong nogal eens naar rechts. De schooldag beginnen met het zingen van het Wilhelmus en het inleveren van het Argentijnse paspoort van prinses Maxima riepen om een verstandige reactie. Maar goed, ik heb gezwegen. Ook al omdat ik soms wat onverstandig uit de hoek kan komen.

In 2007 haalde onze prinses het nieuws door haar opmerking dat dé Nederlandse identiteit niet bestaat, net zoals de Argentijnse trouwens. Van mij mag ze haar twee paspoorten houden, of meer nog, zij mag er nog één bij krijgen, bijvoorbeeld het Europese paspoort. Of denk nog verder, aan de hand van de uitspraak van Wibaut: ‘Er is maar een volk: de mensheid’.

Ondanks haar verstandige opmerking dat de menselijke identiteit niet te stollen is in een pasfoto, gaan in onze dagen tal van landen, steden, mensen op zoek naar hun ‘DNA’. Zij doen dat nogal eens met verdachte motieven, vrees voor vreemdelingen bijvoorbeeld, of vrees voor verlies van macht. Het populisme schreeuwt luidkeels om de bevestiging van iets dat niet bestaat: de identiteit van het eigen volk, het DNA van een illusie.

Wie of wat wij zijn, verandert voortdurend. Van binnen bij ons en bij iedere mens houdt het niet op te borrelen en te gisten, door het verwerken van ons verdriet of van onze vreugde, van stress en van weet ik al niet meer, en, bovendien, doordat ook alles om ons heen verandert, zijn we vandaag niet meer die we gisteren waren.

Oosterhout zoekt dit jaar zijn DNA om, zoals de burgemeester in zijn Nieuwjaarsrede verwoordde, ‘een toekomstplan te kunnen opstellen’. Prompt kwam even later in het jaar ‘Bombast’ warempel al met een bombastisch antwoord: het alles verklarende verhaal over de oorsprong van het Oosterhoutse DNA, dat verklaart waarom wij Oosterhouters doen wat we doen en zijn wie we zijn!

Dat je in carnavaleske sferen een romantisch alibi zoekt om te feesten en het volksfeest van Vastenavond wil promoten, vind ik lof verdienen. Geen kwaad woord daarover. Maar ga nou niet met onderzoeksbureaus en daarbij komende kosten serieus zoeken naar iets, waarvan je na enig nadenken weet dat het niet bestaat. Dat is gevaarlijk, dat is steun zoeken in een illusie.

De Oosterhouter is mens zoals alle mensen. Je ware wezen onttrekt zich aan vastlegging, het schuilt in de smeltkroes van je gevoelens en je verstand, van je heden en je verleden, van je verlangens en ambities. Niet te grijpen, altijd veranderend, voortdurend groeiend, meereizend met de altijd veranderende mogelijkheden die zich aandienen. Als de Oosterhouters zo zijn, waarom zou Oosterhout dan anders zijn? Doen wij er daarom niet veel beter aan om zelf eens te proberen, zonder wat voor DNA zoektocht dan ook, met een stevige en inspirerende visie te komen?

Van Oosterhout, als bonte verzameling van mensen en gedoe, is misschien wel een soort foto te maken, een bevroren flits, kort als de sluitertijd. Het onderzoekbureau en zijn personeel, dat ook verder moet leven, gaat natuurlijk zijn best doen om er iets van te maken: veel teruglezen, praten met Jan en alleman, een concept opstellen, en, omdat zij van buiten komen en onzeker zijn, willen zij dan ook nog eerst van onszelf horen wat wij over onszelf willen horen. Daartoe bespreekt het bureau het concept met verstandige Oosterhouters, zodat het straks onszelf kan presenteren in de door onszelf verlangde statiefoto. Wij zullen heel mooi op die foto staan, want wij gaan het eindrapport betalen. Maar het is niet onwaarschijnlijk dat straks in een voetnoot van het rapport staat dat, alle goede bedoelingen ten spijt, ons DNA onvindbaar is gebleken.

Anton Kamps